* BNNVARA - Grachtengordel | Column Claudia de Breij
Word lid

Grachtengordel | Column Claudia de Breij

leestijd 3 minuten
Grachtengordel | Column Claudia de Breij

Wanneer je bij het zien van een foto van Sylvana Simons op de cover van de VARAgids geen enkele neiging voelt je abonnement op te zeggen, heb je het verwijt vast al weleens gekregen. Je bent ‘grachtengordel’.

Wanneer je, zoals ik, een uitgesproken mening hebt en die ook graag verspreidt, wordt er door een bepaald deel van opiniemakend Nederland vanuit gegaan dat je woont in het schitterende stukje Amsterdam dat we danken aan onze zo nijver in tabak, specerijen en mensen handelende voorvaderen.

Gek dus eigenlijk, dat ik het zo spannend vind in de grachtengordel. Het begint al met parkeren. Daar word ik heel erg zenuwachtig van, in de grachtengordel. Ik moet ongeveer drie kwartier rijden vanuit mijn huis in de vierde stad van Nederland (vergeleken bij de grachtengordel ‘de provincie’) en kom met het zweet op mijn rug de stad binnen. Er steekt daar namelijk altijd wel iemand met de onverschillige blik van de Amsterdamse voetganger vlak voor je auto levensgevaarlijk over dus watjes als ik trappen voortdurend paniekerig op de rem. De parkeergarage dan maar, ergens in de buurt van waar ik me die maandagochtend om half twaalf moet melden, op de grachtengordel.

In Amsterdam is de grond zo schaars dat zelfs de parkeerplaatsen te klein zijn voor wat je ervoor moet betalen, ook in de garage. Dolen, draaien, insteken, uitwijken, opnieuw sturen, parkeren. Kaartje goed bewaren voor straks, als je moet betalen voor de drieënhalf uur die je hier parkeert, ongeveer evenveel als waar je in Doetinchem een nacht voor in een viersterrenhotel kunt liggen. Krijg je er nog een massage bij. En een krentenwegge.

Dan de navigatie-app van je telefoon aanzetten om te kijken hoe je daar komt, op de Brouwersgracht, vanuit parkeergarage de Nieuwe Kolk. Goddank heb je platte schoenen aan. Je loopt over grachten, singels, door steegjes. En dan, alsof je in een afgedankt decor van een oude aflevering van Baantjer bent beland, zie je ze. De meisjes van lichte zeden. Drie, zag ik er. Achter een raam, los van elkaar. Eentje zelfs op de eerste verdieping, dat had ik nog nooit gezien. De anderen stonden, gekleed in kanten ondergoed, op straatniveau. Op ooghoogte. De gêne die ik voelde bij dit oogcontact had ik sinds mijn veertiende niet meer ervaren. Een hoer! EEN HOER! Een-echte-hoer-en-die-kijkt-mij-aan-en-ik-kijk-terug-hallo-mevrouw-de-hoer-hoe-staan-de-zaken-goedemorgen.

De tweede die ik zag schokte me al minder, zij stond te telefoneren. Een vrouw, van mijn eigen leeftijd, die gewoon een beetje in haar ondergoed achter een raam onder een rode lamp stond te bellen. Slechte woordgrapjes over ‘lekker een beetje ouwehoeren’ hield ik in, maar ik had er toch een binnenpretje van. 

Dit was de grote stad. Hier gebeurde het. Om half twaalf ’s ochtends al! Ik dacht: wie wil er nou op maandagochtend om half twaalf naar de hoeren? Nou ja, misschien juist prettig, het breekt de week wat open. Nog steeds een beetje geschrokken wandelde ik door, ik was bijna op de plek van mijn bestemming. Ik deed mijn schouders naar achter en verstevigde mijn tred.

Dit was de grachtengordel. Mensen dachten dat ik hier hoorde.