
De parlementaire enquête corona gaat ons niet de diepere wijsheid schenken waar we in deze dagen zo naarstig behoefte aan hebben.
Vandaag vindt het laatste verhoor van de parlementaire enquête corona voor het reces plaats. Dit verhoor sluit de vijfde verhoorweek af, een week die in het teken stond van de avondklok en de maatschappelijke onrust. Maar ik vrees dat dit hele schouwspel ons weinig wijsheid zal schenken over hoe het nu verder moet met onze samenleving. Een samenleving die sinds de coronacrisis meer dan ooit verscheurd is geraakt, en waar een nieuwe, verbindende bezieling nog bij lange na niet in zicht is.
Sinds de uitbraak van het virus is onze samenleving in volle vaart gefragmenteerd en gepolariseerd. Je hoeft geen helderziende te zijn om in te zien dat corona de genadeklap was die de breuklijnen blootlegde die allang onder de oppervlakte liepen. Zoals de aanslagen van 9/11 dat destijds op een andere wijze deden langs etnische en culturele dimensies, zo legde corona de diepe kwetsbaarheid van ons sociale weefsel bloot.
Het was alsof de natuur op rood sprong om onze cultuur – de manier waarop wij ons samenleven gestalte geven – te dwingen de waanzin van ons materialistische schaarstedenken en de ratrace een halt toe te roepen. Het was een uitnodiging tot bezinning. Maar tevergeefs: we zijn vooral gefrustreerd voortgegaan, in plaats van zin te geven aan het coronatijdperk en in te zien dat we toe zijn aan een fundamenteel nieuwe zienswijze.
Het gulzige grijpen naar frustratie
Om te weten hoe we verder moeten, moeten we immers eerst zin kunnen geven aan de plek waar we zijn beland. Of het nu gaat om een individu, een organisatie of een samenleving: vaak grijpen we de frustratie over het hier en nu aan als de enige motor om in beweging te komen. “Het gaat niet goed, dus het moet anders en beter.” Ik heb me altijd verwonderd over dit gulzige grijpen naar frustratie om in de moderne tijd vooruitgang af te dwingen. Hoewel dit op frustratie geënte vooruitgangsgeloof de moderne mens veel materiële welvaart heeft gebracht, heeft het ook veel kapotgemaakt. Bovenal heeft het onze belangrijkste erfenis aangetast: de door de eeuwen heen opgebouwde praktische wijsheid van onze voorouders.
Die voorouders – uit de tijd voordat wij onszelf de masters of the universe waanden – zagen de mens als een bescheiden element binnen een grote kosmos, resonerend met de grotere cycli van de natuur.
De rups en de dood
Heeft iemand ooit een rups een vloek zien slaken over zijn rupsenleven? Of een vlinder zien klagen over de korte duur van haar bestaan? Ik niet.
De wereld om ons heen werkt cyclisch. Als telg van Perzische soefidichters zou ik willen zeggen: de wereld om ons heen is een cyclische dans, een ritmisch gebed. Stilstand, verval en de dood zijn daar onmisbare onderdelen van. Die wetmatigheden accepteren en omarmen is geen teken van fatalisme, maar getuigt van diepe wijsheid en moed. Geen wedergeboorte zonder dat er eerst iets vergaat. Geen verlichting zonder eerst de donkere nacht van het niet-weten in te gaan. Het besef dat een ingeslagen weg doodloopt en geen heil meer brengt, hoeft niet met bittere frustratie gepaard te gaan.
Een einde is immers niet het einde van de wereld, maar het sluitstuk van een tijdperk. Het kan de aanleiding zijn voor een waardig en bezield afscheidsritueel, om van daaruit met goede moed over te gaan naar nieuwe ontdekkingen. Ik heb met mijn hele wezen de coronaperiode als een moment van ondergang ervaren, maar niet vanuit een fatalistische inslag. Eerder als een dwingende oproep tot transformatie.
Niet dat ik deze tijd romaniseer. Juist het lijden van de ouderen door de opgelegde eenzaamheid, en de wijze waarop we de jonge vleugels van de jeugd vastbonden en hun de vrijheid ontnamen, lieten me zien hoe hard onze samenleving behoefte had aan een nieuw innerlijk kompas. De volgevreten rups van onze consumptiecultus droomde er weliswaar van een vlinder te worden, maar dat vereiste eerst de overgave aan het broeden en cocoonen. En daar wilden we simpelweg niet aan.
We gaven de voorkeur aan het herstarten van de ‘normale’ arbeid, de productieprocessen en het maatschappelijk verkeer, ten koste van de diepere levenskwaliteit van jong en oud. Met alle trieste, langdurige gevolgen van dien. Corona was onze cocon-kans. Maar zwelgend in frustratie over het feit dat het oude ‘normaal’ niet direct door kon gaan, hebben we die kans verkwanseld.
Een ontzielde enquête
Wat nu overblijft als sluitstuk van dit tijdperk, is deze ontzielde parlementaire enquête. Het past geheel in de technocratische reflex van hoe het niet moet: een register opentrekken van wat er in het management van de crisis organisatorisch haperde. Misschien is het nodig, maar het biedt ons geen enkele wijsheid om ons te helpen bezinnen op wat ons werkelijk te doen staat. Het faalt de grotere symboliek achter de crisis te begrijpen.
Ondertussen modderen we door. Politiek versplinterd, met een rijksoverheid die een historisch dieptepunt in het burgervertrouwen heeft bereikt, en een samenleving die cultureel tot op het bot verdeeld is. We modderen door tot de volgende grote crisis zich aandient, hopend dat we die wél als transformatieve kans aangrijpen. Want we smachten naar werkelijke verandering, en aan die verandering gaat – zo leert de menselijke geschiedenis ons steevast – ongetwijfeld een crisis vooraf.