
Het offeren is een eeuwig gebaar waarmee de mens het goddelijke benadert. Een beweging van overgave om een stap dichter bij de Schepper te komen. Het Offerfeest gaat niet over het slachten van een schaap, maar over het ego-overstijgend potentieel van de mens.
Deze week is het islamitische Offerfeest. Het is de viering van het grootse gebaar dat Abraham bereid was te maken. Hij liet zien dat hij zelfs bereid was om zijn zoon Ismaël naar het altaar van Allah te leiden, als teken van zijn vertrouwen in het lot en zijn overgave aan het goddelijke. Dit offer bleek niet nodig en niet gewenst, want de God van Abraham was barmhartig en niet wreed. Ismaël had in deze situatie, net als zijn vader, in volle overgave zijn lot in de handen van God gelegd. Vader en zoon werden dankzij hun getoonde totale vertrouwen in het goddelijke gezegend en beloond. Zij kwamen een trede nader tot verlichting, nader tot het licht van de Schepper. Het ging hier om de intentie, niet om het letterlijk moeten offeren van zichzelf of een geliefde zoon. Het ging om het verlichtende potentieel van een groots en dramatisch gebaar dat men durfde te maken. Dat schiep de ruimte voor dit eeuwige feest, dit eeuwige verhaal.
“Laat Abraham en zijn volgelingen jaarlijks ieder een schaap offeren en dit onder de armen verdelen.” Dat was de boodschap die de engel Gabriël naar Abraham bracht. En zo geschiedde het, en zo ontstond het Offerfeest. Het gaat en ging niet om het slachten van een schaap; het ging om de intentie om heel even afstand te doen van ons kleine ego en onze beperkte rationaliteit. Om zo heel even in de eeuwigheid te kunnen staan, en in het licht daarvan ons levenslot te aanschouwen en te heroverwegen: wat maakt ons leven de moeite waard, waarom zijn we hier op aarde en wat heeft ieder van ons bij te dragen om het aardse leven wat lichter en bezielder te maken?
Een archetypisch, paradoxaal verhaal
Het is wat mij betreft een universeel, mystiek verhaal. Op het eerste gezicht wellicht een paradox: door jezelf kleiner te maken, word je groter; door te knielen voor het lot, stijg je tot een ongekende verlichting. Je slaat je vleugels uit door niet alsmaar te denken en te rennen voor je eigen, kleinzerige ego. Je wordt groots door het sterfelijke en kwetsbare in het licht van het eeuwige te zien, en in dienst daarvan te stellen.
Het is een inzicht, een levensbesef en een verhaal dat zich door de menselijke geschiedenis heen herhaalt. Een archetypisch verhaal, kortom. In dit licht kunnen we ook het verhaal van de grote omwenteling van de dichter en mysticus Rumi bezien. Rumi, de hooggeleerde theoloog, offerde zijn reputatie, zijn naam en zijn positie op om intenser en met veel meer overgave in dienst te staan van de meest ontroerende en wonderbaarlijke wijze om het goddelijke te bezingen. Hij stapte over van theologische verhandelingen naar wervelende poëzie; naar het bezingen en bedanken van het goddelijke. Schande! Zo zou het oordeel luiden dat hem destijds te wachten stond in het tamelijk orthodoxe Konya van de 13e eeuw, zo luidde zijn eigen inschatting. Maar sindsdien resoneert heel de stad met zijn poëzie, met de bijbehorende liederen en muziek, en met zijn wervelende volgelingen: de dansende derwisjen.
De maan als metafoor
In de mystieke islam, en in het bijzonder in het werk van Rumi, staat de maan symbool voor de hoogste trede van overgave. Het is het mooiste wat de leerling of metgezel kan worden onder leiding van de ultieme meester die het goddelijke vertegenwoordigt. Rumi zag, bezong en beschreef zichzelf als de maan. Zijn mystieke meester – de dwaze derwisj die altijd dronken was van het universele geheim – was Shams. Diens naam betekende letterlijk: de zon.
Na zijn ontmoeting met Shams werd het Rumi's levensdoel om het licht van deze eeuwige zon te reflecteren. Hij was bereid zijn naam, faam en reputatie op het spel te zetten – het offeren van zijn ego – om deze missie te vervullen. Dit betekende dat hij de wonderbaarlijke inzichten van Shams naar de aardse mens wilde brengen, in een taal die iedereen kon bereiken en raken. Hij moest zijn theologentaal, zijn proza en zijn prekerswendingen achter zich laten en de taal van het hart, de dichterlijke taal, omarmen. Rumi deed dit door mystieke inzichten te voorzien van ritme en cadans, en ze te verweven in verhalen en gedichten. Daarnaast gaf hij er collectief gestalte aan door mysteriespelen te introduceren en mystieke ceremonies te houden. Hierdoor hielp hij gewone stervelingen om het eeuwige in de praktijk te brengen.
Rumi ging in zijn reflectie op Shams te werk zoals de maan dat doet. Zijn weerspiegeling was zachter van substantie en liet ruimte voor alle andere sterren aan de hemel. De maan kun je immers bekijken en bewonderen zonder dat je ogen branden, en zonder het zicht op de andere taferelen aan de hemel te verliezen. Het felle zonlicht straft de ogen van gewone stervelingen daarentegen vurig af zodra zij een directe blik wagen; de zon duldt geen ruimte voor iets anders dan zichzelf aan de hemel.
De maan is de mystieke metgezel die de eeuwige meester aanbidt. Zij aanvaardt de zon en verstaat zijn majestueuze licht. Maar zij weet ook dat haar zachtere licht voor stervelingen de noodzakelijke poort is om het goddelijke inzicht van de zon te kunnen begrijpen. En juist door zich volledig te richten op de zon en in dienst te stellen van het zonlicht, wordt de maan wonderschoon. Ze offert haar kleine 'ik' op en verandert in een groots, melancholisch en zacht licht.
Het Offerfeest gaat niet over dat schaap, maar over waartoe jij en ik als stervelingen in staat zijn – als we het maar inzien: een reflectie worden van het eeuwige.
Meld je hieronder gratis aan voor Joop NL. Iedere donderdag een selectie opvallende nieuwsverhalen, opinies en cartoons in je mailbox.