
Demonstratie in Tunesië tegen de slechte behandeling van migranten, juli 2023
Op een bewolkte maandag in mei dacht ik aan Sfax en aan Loosdrecht. Aan hoe selectieve verontwaardiging werkt. Als iemand die in Tunesië is geboren en daar zijn wortels heeft, en nu in Nederland woont, zie ik die patronen van dichtbij aan twee kanten van de Middellandse Zee terug.
Ik schreef over de vernedering en mishandeling van Afrikanen uit Sub-Sahara Afrika in Tunesië. Iemand reageerde met een video waarin inwoners van Sfax klaagden over diefstal en geweld door migranten. Dat begrijp ik. Wanhoop leidt tot reacties die niemand wil goedpraten. Maar begrip voor frustratie is iets anders dan het legitimeren van collectieve ontmenselijking.
Wat mij vooral treft, is de hypocrisie. In Tunesië klinkt die uit monden die zich beroepen op religie en moraal. Een imam kan met een brok in de keel vertellen over Bilal ibn Rabah — de zwarte slaaf in Mekka die onder de brandende woestijnzon werd gelegd, met een zware steen op zijn borst, om hem te breken. Maar hij brak niet. Hij fluisterde slechts één woord: Aḥad… Aḥad… Eén God. Eén waarheid. Eén waardigheid. Hij werd vrijgelaten en werd de eerste muezzin van de islam — de stem die de oproep tot gebed deed. Zijn verhaal staat symbool voor standvastigheid, verzet en radicale gelijkheid.
Maar over de zwarte Afrikanen die vandaag in Tunesië worden vernederd, opgejaagd en in de woestijn achtergelaten, blijft het stil. De geschiedenis wordt geëerd, de levende mens genegeerd. En toch is dit geen Tunesisch probleem alleen. In Nederland zie ik dezelfde dubbele moraal. De burger die online pleit voor vluchtelingenrechten, maar zich verzet zodra opvang in zijn eigen buurt komt. De stemmen die spreken over ‘Europese waarden’, maar tegelijk beleid steunen dat mensen buiten de deur houdt via deals met regimes die deze waarden dagelijks schenden.
De retoriek verschilt, maar de logica niet. In Tunesië spreekt men over complotten die de demografie zouden veranderen. In Nederland horen we varianten daarvan in andere woorden. Altijd hetzelfde frame: de ander komt om te nemen wat van ons is. Angst wordt politiek kapitaal.
Wat zelden wordt benoemd, is dat Tunesië niet toevallig is uitgegroeid tot een verzamelplaats voor migranten. Het is mede het resultaat van Europees beleid. Het land fungeert als buffer, als wachtkamer aan de rand van Europa. De oversteek wordt tegengehouden, maar mensen verdwijnen niet. Ze blijven hangen in een juridisch en sociaal niemandsland, kwetsbaar en rechteloos.
De rekening wordt betaald door dezelfde groep als altijd: de armste en meest rechteloze mens. De Afrikaan die leeft met de nasleep van koloniale verhoudingen. Wanneer hij blijft, is hij een probleem. Wanneer hij vertrekt, een indringer. Wanneer hij zichtbaar wordt, een dreiging.
De dynamiek is overal dezelfde: politieke ophitsing voedt angst, angst legitimeert hard beleid, en dat beleid creëert slachtoffers die vervolgens worden gebruikt als bewijs dat de angst terecht was. Ook Nederland kent momenten waarop die cirkel zichtbaar wordt. Geweld tegen asielopvanglocaties — zoals in Loosdrecht — is daar een voorbeeld van. Dat is geen protest, maar doelbewuste intimidatie en in sommige gevallen terreur.
Mijn betrokkenheid is niet theoretisch. Ik werkte in vaste dienst bij het COA, gedreven door menselijkheid en het idee dat opvang een morele verantwoordelijkheid is. Totdat het beleid onder Rita Verdonk die menselijkheid begon te ondermijnen. Wat van ons werd gevraagd, kon ik niet langer rijmen met mijn geweten. Ik nam ontslag. Niet uit gemak, maar uit protest tegen wat ik zag gebeuren.
Die keuze draag ik nog steeds met me mee. Maar de hypocrisie die mij vandaag het meest raakt, kwam niet uit Europa. Ze kwam uit Sfax.
De discussie met de imam
Kort voor de storm had ik een felle discussie gevoerd met diezelfde imam uit Sfax — de man die Bilal’s naam met tranen in zijn stem uitspreekt. Ik vroeg hem waarom hij zo ontroerd over Bilal spreekt, maar zwijgt over de zwarte Bilals van vandaag — de Afrikaanse mannen en vrouwen die in Sfax worden opgejaagd, geslagen, vernederd en soms in de woestijn gedumpt.
Hij zei dat “de situatie ingewikkeld is”, dat “de samenleving onder druk staat”, dat “deze mensen problemen veroorzaken”. Ik vroeg hem: “Maar was Bilal geen probleem voor zijn samenleving? Was hij niet zwart, arm, weerloos, en toch waardig?” Hij blokkeerde me. En daarna begon de storm.
De spiegel
Een paar dagen later schreef ik op mijn Facebookpagina — een pagina die vooral gevolgd wordt door Tunesische en Arabischsprekende lezers — een korte boodschap van steun aan de Afrikaanse mannen en vrouwen die via Tunesië proberen te overleven. Ik schreef dat ze geen indringers zijn, dat ze vluchten voor honger, oorlog en vervolging, dat Tunesië hen menselijkheid verschuldigd is, and dat racisme — in welke vorm dan ook — onverenigbaar is met onze geschiedenis, onze religie en onze waardigheid.
Ik schreef dat wie een mens in nood wegjaagt, eigenlijk zijn eigen geweten verraadt. Of beter gezegd: het geweten dat er nooit was. Die woorden waren de spiegel. De post werd door meer dan 87.000 mensen gezien en leverde bijna 800 reacties op. Het merendeel bestond uit scheldwoorden: verrader, spion, landverrader, en nog termen die meer over hén vertelden dan over mij.
Ik zette de spiegel neer. En ze zagen hoe lelijk ze waren. In het Arabisch zeggen we: “Kolloe inaa-in bimaa feehi jarsjoho” — elke kruik lekt wat erin zit.En wat eruit lekte, was geen waarheid, maar angst, woede en ontmenselijking.
De hersenspoeling
Veel van de reacties kwamen van mensen die hun verstand al lang op nul hadden gezet. Niet omdat ze dom zijn, maar omdat ze hun denken hebben uitbesteed aan extremisten die voor hen bepalen wat ze moeten voelen, wie ze moeten haten, en wie ze menselijk mogen vinden.
Het zijn mensen die niet meer zelf kijken, maar kijken door de ogen van anderen. Niet meer zelf denken, maar denken met geleende woorden. En wanneer zo iemand een spiegel ziet, ziet hij niet zichzelf, maar de angst die hem is ingeprent.
Mijn zoon
Mijn zoon zei me dat het hier in Nederland niet anders zou zijn. Dat ik op sociale media dezelfde storm zou krijgen — misschien nog erger — omdat mijn afkomst anders is, en omdat mensen niet graag worden aangesproken door iemand die van elders komt. Maar hij zei ook iets anders: dat de brandstichters van haat overal dezelfde zijn. Niet in hun taal, niet in hun vlag, maar in hun reflex.
Ze herkennen zichzelf in de spiegel niet, dus ze steken hem in brand. Ze vallen niet de waarheid aan, maar degene die haar uitspreekt. En dat mechanisme is universeel. Van Tunis tot Tilburg, van Sfax tot Loosdrecht, van Carthago tot Brussel.
Mijn overtuiging
Aan de goedkoopste handelaren in vaderlandsliefde… Aan de verkopers van de leugen “ze komen ons bezetten”… Aan degenen die zich valselijk toeschrijven aan de gemeenschap van Mohammed, Abu Bakr, Omar en Bilal… Aan de predikers van menselijkheid, gelijkheid en “westerse waarden”, terwijl hun eigen hart leeg is…
Wanneer God, de Rechtvaardige, je terugroept, neem je niets mee behalve je lijkwade en de vervloekingen van de mens die jou om hulp vroeg en die jij verraden hebt. Misschien kun je de goedgelovigen wijsmaken dat deze Afrikaanse vluchteling jouw “grote land” komt bezetten, maar je zult God niet overtuigen dat jij nog tot de mensheid behoort.
Wie een hongerige mens wegjaagt, wie een weerloze uitlevert aan de wolven, wie onrecht rechtvaardigt in naam van het vaderland of de religie, heeft zijn menselijkheid al verloren. Arm Tunesië… arm omdat haar kinderen de vlag met één hand omhooghouden en met de andere hand haar waarden verraden.
Hardop
Van Nederland — het land van Spinoza en Mondriaan — tot Tunesië, het land van Hannibal en Ibn Khaldun, delen we niet alleen geschiedenis, maar ook de neiging om onze principes selectief toe te passen. Maar waardigheid is geen luxe. En menselijkheid is geen keuze. En zolang er Bilals zijn die worden achtergelaten, moet er iemand zijn die hun naam hardop zegt.
Meld je hieronder gratis aan voor Joop NL. Iedere donderdag een selectie opvallende nieuwsverhalen, opinies en cartoons in je mailbox.