
Hittegolven, natuurbranden en uitgedroogde rivieren — het vuurseizoen heeft velen wakker geschud deze zomer. Nu we weer aan het werk gaan, vraag je je af: wat kan ik doen?
Er zijn grote en kleine antwoorden op deze vraag. De grote antwoorden worden deels gegeven in de Nationale Klimaatadaptatiestrategie, die eind dit jaar verschijnt. De kleine antwoorden variëren van minder vliegen en toch maar zonnepanelen tot het wegstemmen van klimaatontkennende politici. Maar er is iets dat iedereen kan doen en zou moeten doen: knuffel een klimaatwetenschapper.
Je hoeft hier niet mee te wachten tot 12 juni, de officiële Knuffel een Klimaatwetenschapperdag. Want als je dit vuurseizoen al decennia zag aankomen, er als Cassandra voor waarschuwde en er nu tegen wil en dank getuige van bent, verdien je een knuffel.
Ik interviewde klimaatwetenschapper Aaron Thierry, die onlangs promoveerde op het proefschrift Cassandra’s Children: Scientific Responsibility in an Era of Climate Emergency. Op basis van zijn onderzoek stelt hij dat het verbreken van het sociale contract tussen wetenschap en politiek tot een emotionele en morele crisis onder klimaatwetenschappers heeft geleid. Als voorbeeld noemt hij James Hansen, die in 1988 zijn traditionele taak als wetenschapper deed door de politiek te informeren over de naderende catastrofe. Het idee dat de politiek wetenschappelijke inzichten in beleid omzet leeft nog steeds in onze maatschappij, maar is in deze post-truthwereld achterhaald.
Begin jaren 1980 was alle basiskennis om een planetaire crisis te voorkomen al aanwezig, in ieder geval bij de fossiele industrie. Men wist toen al dat een catastrofe te voorkomen was door fossiele brandstoffen af te bouwen en over te schakelen naar zon, wind en andere groene energie. Ook wist men dat je niet van de ene op de andere dag met fossiel kan stoppen en berekende dat de energietransitie zo’n 50 jaar zou vergen. Maar de industrie deed er alles aan klimaatbeleid te vertragen en de politiek verzaakte haar taak.
Bij veel mensen leeft het beeld dat er sprake is van klimaatverandering. Maar wetenschappelijk gezien is die term niet precies genoeg. Want, zoals de klimaatontkenners altijd zeggen, het klimaat verandert altijd al. Thierry brengt in zijn onderzoek in kaart hoe wetenschappers na de jaren 1980 zijn gaan spreken van een klimaatnoodtoestand. Thierry noemt deze term een voorbeeld van waardegeladen objectiviteit: een wetenschappelijke beschrijving gegrond in degelijk onderzoek en meetbare criteria, die tegelijkertijd normatief is. Een noodtoestand erkennen betekent niet alleen dat we vaststellen dat er schade dreigt als we niet drastisch opschalen. Het betekent ook dat de sirenes en zwaailichten aangaan omdat we het belangrijk vinden mensenlevens te redden.
Hoewel de politiek nog angstvallig vasthoudt aan niet-urgente termen als klimaatverandering en duurzaamheid, beseffen steeds meer mensen na dit vuurseizoen dat we in een klimaatnoodtoestand leven. Maar we staan niet genoeg stil bij de impact die deze kennis op de boodschapper heeft. Thierry concludeert dat klimaatwetenschappers een diepe emotionele last ervaren. Anders dan een arts op de spoedeisende hulp kunnen ze hun beroep niet loslaten. Wanneer ze hun laboratorium verlaten lopen ze een hittegolf in, op vakantie ruiken ze de rook van bosbranden. Ze zijn Cassandra’s kinderen, zegt Thierry in het interview: “Ze leven als het ware in de nasleep van haar voorspellingen. We hebben nu 50 jaar aan waarschuwing van klimaatwetenschappers over de toekomst. Maar dit is niet meer de toekomst. Onze generatie ziet deze crisis ontvouwen.”
Voordat je aan de slag gaat, sta daarom even stil bij hoe het moet zijn om dit al zo lang te weten. En geef de eerste klimaatwetenschapper die je tegenkomt een dikke (consensuele) knuffel.