
Toen ik in de jaren zeventig samen met Derk Sauer onderzoek deed naar de rijke families in Nederland, zag de wereld er nog overzichtelijk uit. We volgden de sporen van Philips, Brenninkmeijer, Van Puijenbroek, Fentener van Vlissingen en andere dynastieën. We doken in archieven, spraken met familieleden, oud-medewerkers, notarissen en bankiers. Soms stuitten we op bewonderenswaardige ondernemersverhalen, soms op minder fraaie hoofdstukken. Vooral de manier waarop sommige van die familiebedrijven de Tweede Wereldoorlog waren doorgekomen bleek niet altijd even kosjer.
Toch kijk ik met enige weemoed terug op die tijd. Niet omdat alles beter was. Dat was het zeker niet. Maar omdat het bedrijfsleven nog een gezicht had. Achter een onderneming zat een familie. Mensen van vlees en bloed. Ze woonden vaak in dezelfde regio als hun werknemers. Hun naam stond op het gebouw. Ze waren aanspreekbaar. Journalisten konden ze onderzoeken. Vakbonden konden druk uitoefenen. Rechters konden ingrijpen. Zelfs politici hadden soms nog een idee wat er achter de fabriekspoort gebeurde.
Een halve eeuw later lijkt dat bedrijfsleven bijna verdwenen. De familiebedrijven zijn opgekocht, gefuseerd of naar de beurs gebracht. Wat ervoor in de plaats kwam zijn anonieme aandeelhoudersstructuren, investeringsfondsen en mondiale ondernemingen die zich weinig aantrekken van landsgrenzen.
Soms staat er nog een miljardair aan het roer. Vaker een CEO die wordt afgerekend op kwartaalcijfers en aandelenkoersen. De controlemechanismen zijn ondertussen verzwakt. Vakbonden zijn vooral bezig hun positie en ledenbestand te consolideren. Politieke partijen voeren debatten over bijzaken terwijl lobbyisten hen “op de hoogte houden” van wat er in het bedrijfsleven nodig is. En de journalistiek? Die wordt versnipperd door sociale media, dalende advertentie-inkomsten, diversificatie van het aanbod en een permanente nieuwsstroom die geen tijd meer laat voor langdurig onderzoek.
Wie vandaag nog echt diep wil graven, komt terecht bij uitzonderingen als Follow the Money, Bellingcat, Investico of De Correspondent. Organisaties die afhankelijk zijn van leden, donateurs en het idealisme van hun medewerkers. En ondertussen groeit een nieuwe elite. Niet langer de industriële families van vroeger, maar de techmiljardairs. Hun ambities reiken inmiddels letterlijk tot in de ruimte.
Elon Musk droomt van Mars. Jeff Bezos investeert miljarden in Blue Origin. Andere miljardairs financieren ruimtevaartbedrijven die asteroïden willen onderzoeken op zeldzame metalen. Officieel gaat het om innovatie, wetenschap en het veiligstellen van de toekomst van de mensheid. En eerlijk is eerlijk: ruimtevaart heeft ons veel gebracht. Satellieten, communicatiesystemen, klimaatmetingen en technologische doorbraken die uiteindelijk met name op aarde nuttig blijken.
Maar soms vraag ik mij af of de prioriteiten nog wel kloppen. We slagen er niet in onze oceanen schoon te houden, biodiversiteit stort in, drinkwater wordt schaarser en de aarde warmt verder op. Toch steken we honderden miljarden in plannen om ooit een handvol mensen naar Mars te brengen. Alsof de rijkste mensen ter wereld alvast nadenken over een nooduitgang.
Daar blijft het niet bij. Dezelfde miljardairs investeren ook massaal in levensverlenging. Er wordt geëxperimenteerd met genetische manipulatie, verjonging van cellen, bloedplasma van jonge donoren, AI-gestuurde gezondheidsmonitoring en medicijnen die veroudering zelf moeten vertragen. Sommige onderzoekers spreken openlijk over levensduren van honderdvijftig jaar of meer. De gedachte dat we straks niet twintig jaar, maar zestig jaar langer moeten luisteren naar dezelfde miljardairs die nu al de wereld domineren, stemt niet direct vrolijk.
Hun economische macht groeit ondertussen verder. Ze financieren politieke campagnes. Ze bezitten sociale mediaplatforms. Ze kopen traditionele media op. Ze bepalen welke berichten zichtbaar worden en welke verdwijnen in de digitale vergetelheid. Nooit eerder in de geschiedenis zijn zoveel communicatiemiddelen, zoveel data en zoveel kapitaal geconcentreerd geraakt in de handen van zo weinig mensen
Juist daarom is het interessant om naar Europa te kijken. Waar de Verenigde Staten de macht van Big Tech vaak vrij spel geven, begint Europa voorzichtig grenzen te stellen.
Met regelgeving rond privacy, kunstmatige intelligentie, mededinging en platformverantwoordelijkheid. Met pogingen om desinformatie te bestrijden. Met maatregelen tegen monopolies. Met eisen aan de herkomst van producten en duurzaamheid in internationale ketens.
Het verloopt moeizaam. Maar het is wel een van de weinige plekken ter wereld waar nog serieus wordt geprobeerd democratische controle te behouden op mondiale economische macht. De vraag is uiteindelijk niet hoe we miljardairs kunnen tegenhouden. De vraag is hoe we weer ondernemingen kunnen creëren die zich verbonden voelen met de samenleving waarvan zij afhankelijk zijn.
Bedrijven met een geweten. Bedrijven die niet uitsluitend worden gestuurd door aandeelhouderswaarde, maar ook verantwoordelijkheid dragen voor werknemers, gemeenschappen, natuur en toekomstige generaties. Dat vraagt om andere vormen van eigendom. Sterkere medezeggenschap. Onafhankelijke journalistiek. Transparantie. Grenzen aan monopoly-vorming. En misschien zelfs een herwaardering van ondernemerschap als maatschappelijke taak dan een wedstrijd wie het verst de ruimte in kan pissen.
Want als er één les is die ik heb geleerd sinds die onderzoeken met Derk Sauer, dan is het deze: macht zonder tegenmacht wordt uiteindelijk altijd een probleem.
Of die macht nu in handen is van een industriële familie, een multinational of een man die ervan droomt om naar Mars te vertrekken.
23 juni verschijnt van Fons het boek De enige oplossing. Hoe we de wereld leefbaar kunnen maken voor de generaties na ons
Meld je hieronder gratis aan voor Joop NL. Iedere donderdag een selectie opvallende nieuwsverhalen, opinies en cartoons in je mailbox.