
Het regeerakkoord staat vol mooie woorden: participatie, zelfredzaamheid, gelijke kansen. Het klinkt inclusief en vooruitstrevend. Maar juist wat ontbreekt, zegt misschien wel het meest. Nergens wordt structurele discriminatie van moslims of andere bevolkingsgroepen benoemd. Moslimvrouwen komen al helemaal niet voor. Dat is geen slordigheid, maar een politieke keuze — met echte gevolgen.
In het publieke debat wordt discriminatie van moslims vaak teruggebracht tot “moslimhaat”. Alsof het vooral gaat om nare gevoelens, verhitte discussies op sociale media of spanningen tussen groepen. Die framing is comfortabel, maar misleidend. Want het probleem zit niet in emoties, maar in structuren. In beleid, regels en uitvoering die systematisch ongelijk uitpakken.
Neem de arbeidsmarkt, waar vrouwen met een hoofddoek keer op keer worden uitgesloten. Neem het selectieve gebruik van ‘neutraliteit’, dat vooral zichtbaar wordt wanneer moslimvrouwen zich melden bij de overheid of in publieke functies. Of denk aan handhavende instanties die aantoonbaar verschillend optreden. Zijn dat incidenten? Nee, dat is structurele ongelijkheid, en het raakt de kern van de rechtsstaat. Denk aan de toeslagenaffaire, het DUO schandaal of het schandaal bij de belastingdienst.
Juist daarom is het veelzeggend dat moslimdiscriminatie ontbreekt in het regeerakkoord. En dat doet het overigens al sinds 2017. Regeerakkoorden bepalen wat prioriteit krijgt, waar geld naartoe gaat en wat wordt gemonitord. Wat niet wordt genoemd, wordt niet gemeten. Wat niet wordt gemeten, wordt niet gecorrigeerd. Zo ontstaat een beleidsmatige blinde vlek waarin discriminatie kan voortbestaan zonder politieke verantwoordelijkheid.
De manier waarop het akkoord over emancipatie spreekt, verergert dit probleem. Emancipatie wordt bijna uitsluitend gedefinieerd als economische participatie: werken, meedoen, zelfstandig zijn. Op zichzelf belangrijk, maar deze benadering is eenzijdig. Ze negeert machtsverhoudingen en uitsluitende normen. Voor veel moslimvrouwen betekent ‘meedoen’ dat zij zich moeten aanpassen aan regels die hun zichtbaarheid als probleem zien. Neutraliteit functioneert daarbij niet als universeel beginsel, maar als selectief instrument.
Dat heeft verstrekkende gevolgen. Wanneer structurele discriminatie niet wordt erkend, verschuift de verantwoordelijkheid van de overheid naar het individu. Wie niet kan participeren, faalt blijkbaar zelf. Wie kritiek heeft op uitsluitende regels, zou polariseren. Zo wordt ongelijkheid niet bestreden, maar genormaliseerd en verpakt als persoonlijke verantwoordelijkheid.
Het veelvuldige gebruik van abstracte termen als “iedereen” en “gelijke kansen” versterkt deze schijn. Het suggereert gelijkheid, terwijl de ongelijkheid in de praktijk intact blijft. Maar echte gelijkheid vraagt meer dan dezelfde regels voor iedereen. Het vraagt erkenning van ongelijke uitgangsposities en gerichte maatregelen waar structurele achterstelling aantoonbaar is.
Het niet benoemen van moslimdiscriminatie of van andere uitgesloten groepen is daarom geen neutrale houding. Het is normstelling. Het bepaalt wie zichtbaar is in beleid en wie juridisch onzichtbaar blijft. Een overheid die emancipatie zegt te bevorderen, maar structurele uitsluiting niet durft te benoemen, ondermijnt het vertrouwen in gelijke bescherming door de staat.
De vraag is dan ook niet of het regeerakkoord vriendelijk of inclusief klinkt.
De vraag is of emancipatie überhaupt betekenis kan hebben zolang structurele discriminatie van moslims politiek onuitgesproken en juridisch onbenoemd blijft.
Meld je hieronder gratis aan voor Joop NL. Iedere donderdag een selectie opvallende nieuwsverhalen, opinies en cartoons in je mailbox.