
Soms spreekt een klein bericht boekdelen. Het volgende bericht staat in de marge van het huidige grote nieuws (Iran, Libanon) en het weggedrukte nieuws (de dagelijkse doden in Gaza).
Afgelopen week, op maandagavond, werd een vuilniswagen door de Israëlische politie tegengehouden bij een checkpoint op de Westelijke Jordaanoever, op weg naar Jeruzalem. Men opende de achterzijde. Ongeveer zeventig Palestijnse mannen bleken zich te hebben samengepakt in het afvalcompartiment. Lichamen tegen metaal gedrukt. De mannen kwamen één voor één naar buiten, de handen omhoog.
Het bericht deed me onwillekeurig denken aan Ghassan Kanafani’s Mannen in de zon, geschreven in de jaren zestig – een boek dat grote invloed heeft gehad op de Palestijnse literatuur. In dat verhaal vluchten Palestijnen na de Nakba van 1948. Ze verbergen zich in een tankwagen op weg naar Koeweit. Na lange wachttijden bij grenzen worden ze niet ontdekt, maar ze overleven de hitte in de tank niet.
Het opgesloten zijn – in de ruimte: muren, grenzen, checkpoints; en in de tijd: eindeloos wachten – is een levende Palestijnse metafoor. Er is geen kant om op te gaan.
Het voorval legt ook de armoede en werkloosheid op de Westelijke Jordaanoever bloot, en daarmee de wanhoop. De afgelopen jaren is de werkloosheid sterk toegenomen, mede doordat nauwelijks nog werkvergunningen worden afgegeven aan Palestijnen die in Israël werken. Mensen proberen met alle middelen toch werk te krijgen.
Voor wie wél werk heeft, is er vaak sprake van voortdurende salariskortingen, bijvoorbeeld bij ambtenaren en docenten van de Palestijnse Autoriteit. Zij hebben weinig keus dan dit te accepteren, bij gebrek aan alternatieven. Die inkortingen hangen vooral samen met het al jaren inhouden door Israël van btw-gelden waarop de Palestijnen recht hebben, waardoor de Palestijnse Autoriteit met grote begrotingstekorten kampt.
We merken het hier in Bethlehem dagelijks: mensen die ons op straat of in een restaurant aanspreken omdat ze geld nodig hebben voor medicijnen, ziekenhuisbezoek, of simpelweg voor een maaltijd.
Opmerkelijk is de manier waarop het voorval door de Israëlische autoriteiten wordt geframed. De mannen werden omschreven als ‘illegale binnendringers’ die probeerden ‘centraal Israël te infiltreren’.
‘Infiltratie’ is een bekende trope in het zionistische taalgebruik. Al tijdens de Britse mandaatperiode, vóór 1948, werden Palestijnen zo aangeduid.
Het voorval roept in deze tijd misschien associaties op met Calais, aan de Franse kust: buitenlanders die uit wanhoop of met hoopvolle roekeloosheid via vrachtwagens of bootjes het Verenigd Koninkrijk proberen te bereiken.
Maar er is een cruciaal verschil, verscholen in de uitdrukking ‘centraal Israël’. De Palestijnse arbeiders komen uit wat Israël ‘Judea en Samaria’ noemt en ‘infiltreren’ volgens deze officiële lezing een ander, centraal deel van hetzelfde land.
Dit is typische koloniale taal: zij wist de oorspronkelijke politieke en geografische werkelijkheid uit en vervangt die door een vocabulaire van veiligheid, illegaliteit en infiltratie. Palestina en Palestijnen bestaan in deze woordkeuze niet meer. Wat overblijft is een koloniaal landschap waarin één macht bepaalt wie mag bewegen en wie niet, wie in het eigen land is en wie als indringer geldt. De mannen in de vuilniswagen worden zo niet alleen tot ‘illegalen’ gemaakt, maar ook tot vreemden in hun eigen land.
Meld je hieronder gratis aan voor Joop NL. Iedere donderdag een selectie opvallende nieuwsverhalen, opinies en cartoons in je mailbox.