
Op de glazen overkapping van een perron staat een meeuw in een waterplasje. Hij drinkt, tikt met de snavel tegen het glas en trekt daarmee mijn aandacht. Ik kijk het dier recht in de cloaca maar daar is, gezien deze uitzonderlijke positie tussen mens en dier, weinig onbetamelijks aan.
Enigszins verbaasd realiseer ik mij nog nooit een vogel vanuit dergelijk perspectief gezien te hebben. Twee klauwtjes onder een hagelwitte sloep, want daar lijkt zijn compacte lichaam op. Een bootje dat op twee paaltjes lijkt te staan. De nabijheid van het onverstoorbare dier doet denken aan een museum of tentoonstelling waar men uitsluitend dergelijke dieren van zo dichtbij kan bewonderen.
Na behandeling door de vaardige handen van de taxidermist, en opgesteld met een verklarend bordje erbij, staan zij daar uiteraard volledig buiten hun element en een vreemd soort dood. De neiging om het aan te raken of te aaien is bij dergelijke collecties totaal vervlogen, terwijl wij in ’t wild alles dat leeft juist graag aanhalen of zelfs knuffelen.
Vogels zijn de unieke soort die ons alleen maar kunnen doen dromen van vliegen en aanraken laten zij zich, bij leven, al helemaal niet. Hier, vlak onder een doorzichtig, kunststof dak lijk ik in de unieke positie dat bíjna wel te kunnen. Een zeer oprecht maar nooit ingelost, kinderlijk verlangen. Nils Holgersson blijft een benijdenswaardige held, evenals Karlsson van het dak overigens.
Hoe sterk zeden en gevoeligheden eigenlijk onderhevig zijn aan de grillige tijd ondervond ik recent. Dieren en vooral dierenwelzijn zijn inmiddels betrokken in een volstrekt irrationele discussie zoals alleen mensen die kunnen voeren.
Het dier is een status toegedicht die nauwelijks nog iets met het begrip ‘dier’ te maken lijkt te hebben. Zoals religieuzen elkaar het ware geloof betwisten zo verdedigen ‘dierenliefhebbers’ dat het lastdier, vleesdier en huisdier verouderde begrippen zijn en dat is voor het last- en dierentuindier uiteraard een invoelbare emotie. Een lastdier botst met onze moderne empathische gevoelens rond dierenmishandeling en een dierentuin zou men kunnen aanmerken als een onnodig, archaïsch verschijnsel.
Vlees eten staat heden ten dage al op gelijke voet met crimineel gedrag en huisdieren zijn tot huisgenoten verworden met alle buitennissige gevolgen van dien.
Waar het de wetenschap aangaat schuren emoties en belangen al zolang als vivisectie en geneesmiddelenindustrie oud is. Kwalijke, lastig verdedigbare industrieën anno nu. Een waarheid als een koe. Waar het het dode dieren betreft dient zich nu echter een nieuw verschijnsel aan. Beeldvorming rond dieren is dermate ‘vermenselijkt’ dat zelfs het tentoonstellen van een overleden dier tot protest kan worden.
De prachtige gorilla en publiekslieveling Bokito, dompelde met zijn dood het land in diepe rouw alsof het een lid van het Koningshuis betrof. Mede door een voorval waarbij het dier tijdelijk ontsnapte had hij een persoonlijkheid aangemeten gekregen die zich na zijn dood lastig deed vergeten.
Zijn naam lag op allemans lippen en Bokito-gedrag werd welhaast een nieuw begrip in de Nederlandse taal. Dit alles is paradoxaal genoeg de reden dat we het bijzondere beest nooit meer zullen zien. Zijn resten worden bewaard en bestudeerd maar geen taxidermist die zijn handen zal branden aan het ‘opzetten’ van onze held. Geen museum die hem zou durven exposeren, terwijl een wereldwijde tentoonstelling als ‘Body Worlds’ al jaren de geprepareerde lijken van échte mensen in al hun glorie aan het publiek presenteert.
Voor dieren liggen de zenuwen kennelijk te gevoelig bloot. Want laten we dat vooral voor ogen houden; het zijn beestjes, net als wij.
Meld je hieronder gratis aan voor Joop NL. Iedere donderdag een selectie opvallende nieuwsverhalen, opinies en cartoons in je mailbox.