Logo Joop
De opiniesite van BNNVARA met actueel nieuws en uitgesproken meningen.

De persvrijheid ligt in Israël onder vuur

•
Vandaag
•
leestijd 8 minuten
•
271 keer bekeken
•
ANP-572309716

Persvrijheid geldt als een van de meest fundamentele kenmerken van een liberale democratie. De werkelijke betekenis ervan gaat echter verder dan de formele of louter juridische erkenning ervan. Zij vloeit voort uit de bewegingsvrijheid van journalisten, hun toegang tot informatiebronnen en tot de plaatsen waar gebeurtenissen plaatsvinden, en uiteraard uit de bescherming van hun persoonlijke veiligheid. Wanneer deze beginselen, die essentiële voorwaarden vormen voor het bestaan van vrije media, niet worden nageleefd, wijst dat op een aantasting van de fundamenten van de democratie.

De aanhoudende aanvallen op de vrije pers in Israël en op de buitenlandse media die er werkzaam zijn, moeten dan ook worden gezien tegen de achtergrond van de voortdurende uitholling van de Israëlische democratie. Die komt onder meer tot uiting in het ontbreken van burgerlijke gelijkheid, de aantasting van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en de verzwakking van het stelsel van checks-and-balances.

In de jaren dat Benjamin Netanyahu aan de macht is, en in het bijzonder tijdens de ambtsperiode van zijn huidige regering, zijn verschillende pogingen ondernomen om de vrije pers in Israël te verzwakken. Tegelijkertijd hebben zich, ogenschijnlijk zonder enig verband met deze ontwikkelingen, talrijke incidenten voorgedaan waarbij buitenlandse journalisten die in Israël werkzaam zijn, werden getroffen, waaronder gewelddadige aanvallen.

Een bredere analyse van deze ontwikkeling maakt duidelijk dat beide verschijnselen moeten worden beschouwd als verschillende uitingen van hetzelfde beleid. Dat beleid is erop gericht iedere Israëlische of internationale actor te treffen die het voortbestaan van de rechtse regering ter discussie zou kunnen stellen en de voortzetting van de Israëlische controle over de Westelijke Jordaanoever in gevaar zou kunnen brengen.

Net als hun optreden tegen de rechterlijke macht en maatschappelijke organisaties, zijn ook de maatregelen van de regeringen onder leiding van Netanyahu tegen de Israëlische media erop gericht de interne controlemechanismen te verzwakken en te voorkomen dat het falen van de regering publiekelijk aan het licht komt. Het gaat daarbij om overheidscorruptie, bestuurlijke tekortkomingen en de verdeling van publieke middelen op basis van politieke en sectorale overwegingen. Publieke kritiek op deze kwesties zou de steun voor de rechtse regering kunnen ondermijnen.

De maatregelen van de regering tegen vertegenwoordigers van buitenlandse media zijn daarentegen bedoeld om de internationale aandacht voor wat zich in Gaza en op de Westelijke Jordaanoever afspeelt, te beperken. Het gaat daarbij onder meer om het terrorisme van kolonisten, de selectieve handhaving van de wet en de systematische schade die de Palestijnse bevolking wordt toegebracht. De internationale bekendheid met deze praktijken kan de kritiek op Israël versterken en de stabiliteit van de regering in gevaar brengen.

Binnen Israël manifesteert de verzwakking van de media zich op verschillende, onderling samenhangende terreinen. Een eerste aspect is het bevorderen en ondersteunen van rechtse media, die niet volstaan met het steunen van Netanyahu en zijn regering, maar ook campagnes voeren om zijn politieke tegenstanders in diskrediet te brengen. Het is waar dat veel media wereldwijd uitgesproken politieke standpunten innemen. In het Israël van Netanyahu genieten media die zijn beleid steunen echter institutionele en regulatoire voordelen, terwijl zijn regering maatregelen heeft bevorderd die de toezichtsbevoegdheden en de mogelijkheden om kritische media te bestraffen, hebben uitgebreid.

Naast deze veranderingen in de regelgeving wordt een systematische politieke propagandacampagne gevoerd, onder leiding van Benjamin Netanyahu zelf, die erop gericht is de geloofwaardigheid en vooral de nationale loyaliteit van de kritische pers in twijfel te trekken. Die pers wordt keer op keer voorgesteld als een actor die uit politieke motieven handelt, met als doel de rechtse regering en daarmee ook de staat zelf te schaden. De benaming die Netanyahu eraan heeft gegeven  - "kanalen van leugens en ophitsing" - is niet slechts een uiting van onvrede over een bepaalde berichtgeving. Zij maakt deel uit van een campagne die journalistieke kritiek als een vijandige activiteit wil voorstellen en haar publieke legitimiteit wil ontnemen.

Het besluit van de regering om de krant Haaretz te boycotten, naar aanleiding van haar kritiek op het regeringsbeleid in Gaza, laat bijvoorbeeld zien hoe een campagne tegen journalistieke kritiek wordt vertaald in een institutionele maatregel tegen een mediakanaal. Zo vervaagt de grens tussen kritiek op het regeringsbeleid en vijandigheid jegens de staat, en tussen de taak van journalisten om tekortkomingen aan het licht te brengen en het beeld dat van hen wordt geschetst als verraders van binnenuit.

Deze boodschap blijft niet beperkt tot het politieke discours of het regelgevende beleid. Vooral kritische journalisten worden blootgesteld aan intimidatie en geweld; sommigen van hen staan zelfs onder persoonlijke beveiliging. Ondanks de toename van geweld tegen journalisten hebben rechtse politici geen enkel protest laten horen en het geweld niet veroordeeld. Dat stilzwijgen is niet neutraal, maar weerspiegelt stilzwijgende steun voor geweld tegen de vrije pers. Zo komen fysieke intimidatie en geweld boven op de regelgevende en propagandistische pogingen om de vrije media te verzwakken en het beginsel van persvrijheid inhoudsloos te maken.

Hetzelfde doel ligt ook ten grondslag aan de pogingen om buitenlandse media in Israël te treffen, al worden daarvoor andere middelen ingezet. Waar de verzwakking van de Israëlische media voornamelijk plaatsvindt door middel van regelgeving en het delegitimeren van kritiek als zodanig, komt het optreden tegen buitenlandse media tot uiting in beperkingen van de bewegingsvrijheid en de mogelijkheden om verslag te doen, in het afschilderen van journalisten als vijandige politieke actoren en in het hinderen van hun werkzaamheden, soms zelfs door middel van fysiek geweld.

Sinds het uitbreken van de oorlog in Gaza in oktober 2023 zijn talrijke getuigenissen naar voren gekomen over beperkingen van de werkzaamheden van buitenlandse journalisten, onder allerlei administratieve en procedurele voorwendsels. Het gaat onder meer om vertragingen en verhoren aan de grenzen, eisen om informatie te verstrekken over de aard van de geplande werkzaamheden, intrekking van inreisvergunningen, inbeslagname van apparatuur en beperkingen van de bewegingsvrijheid. Niet zelden gingen deze procedures verder dan de aangevoerde veiligheidsargumenten en hadden zij rechtstreeks betrekking op de inhoud van de journalistieke berichtgeving. Deze gevallen wijzen erop dat eerdere publicaties van een journalist een rol zijn gaan spelen bij de beslissing of hij of zij Israël mag binnenkomen. Zo wordt journalistieke kritiek op zichzelf een reden om de persvrijheid te beperken.

Een aanwijzing voor het beleid dat achter deze intimidatie schuilgaat, is te vinden in de uitspraken van enkele ministers uit de huidige regering. Zo publiceerden minister van Communicatie Shlomo Karhi en minister van Nationale Veiligheid Itamar Ben-Gvir in juni 2025, tijdens de confrontaties met Iran, een gezamenlijke verklaring waarin buitenlandse media werden afgeschilderd als een vijandige actor die opereerde "onder het mom van journalisten". Ben-Gvir verklaarde zelfs dat "de media-anarchie van de buitenlandse pers voorbij is".

Een onderzoek van het Comité ter Bescherming van Journalisten (Committee to Protect Journalists, CPJ), gepubliceerd in juni 2026, documenteerde inderdaad ten minste zes gevallen waarin Israël buitenlandse journalisten de toegang tot het land had geweigerd, onder meer vanwege eerdere publicaties. Een van de gedocumenteerde gevallen betreft Alessandro Stefanelli, een Italiaanse freelancejournalist en fotograaf, wiens persaccreditatie in juli 2025 werd ingetrokken. De autoriteiten overhandigden hem een officieel document waarin stond dat zijn eerdere berichtgeving ‘eenzijdig’ was geweest. Ook de bewegingsvrijheid van de Spaanse journaliste Queralt Castillo Cerezuela werd beperkt, nadat het ministerie van Diasporazaken in een WhatsApp-groep van buitenlandse journalisten in Israël een bericht had verspreid waarin zij onder meer op grond van haar kritische publicaties werd beschuldigd van antisemitisme en steun aan de boycot van Israël. Voor deze beschuldigingen werden uiteraard geen bewijzen gevonden.

Een bijzonder opvallend geval is de uitzetting van de Franse journaliste Alice Froussard in juni 2026. Froussard had gedurende ongeveer zes jaar voor verschillende media verslag gedaan van Israël en de Westelijke Jordaanoever. Volgens de door het CPJ gepubliceerde informatie hield de beslissing om haar de toegang tot Israël te ontzeggen verband met eerdere uitspraken waarin zij de militaire operaties in Gaza als een "bloedbad" had omschreven en het Israëlische beleid op de Westelijke Jordaanoever als "apartheid" had bestempeld.

De aanvallen op de buitenlandse pers blijven niet beperkt tot administratieve beperkingen. Buitenlandse journalisten worden ook blootgesteld aan bedreigingen en fysieke aanvallen. Volgens gegevens van het CPJ werden in de eerste tien maanden van 2026 ten minste zestien gewelddadige incidenten geregistreerd waarbij ten minste 35 buitenlandse journalisten werden getroffen. In maart 2026 werd een televisieteam van CNN aangevallen; in augustus 2026 werd een team van NBC belaagd in het dorp Jalud; op 6 oktober werd AFP-fotograaf Jaafar Ashtiyeh aangevallen terwijl hij verslag deed van de olijvenoogst in de omgeving van Aqraba. Hij werd met geweerkolven geslagen en liep verwondingen op aan zijn hoofd en bovenlichaam. Op 16 oktober werd fotografe Heidi Levine van The Washington Post aangevallen door Joodse terroristen, waardoor vier van haar wervels braken. De reactie van Netanyahu, die verklaarde dat "moet worden vastgesteld wie het geweld is begonnen": de groep Joodse terroristen of de 65-jarige fotografe, spreekt boekdelen.

Uiteraard kan niet iedere aanval door particulieren aan het regeringsbeleid worden toegeschreven. Wanneer de veiligheidstroepen echter geen bescherming bieden en de daders niet ter verantwoording worden geroepen, wordt geweld in de praktijk een aanvullend middel ter beperking van de persvrijheid. Het uitblijven van effectieve rechtshandhaving is niet alleen een falen van de bevoegde autoriteiten. Het geeft de daders ook de boodschap dat het risico dat zij voor hun daden ter verantwoording worden geroepen gering is, en heeft tegelijkertijd een afschrikkend effect op journalisten die proberen vast te leggen wat er ter plaatse gebeurt.

In wezen moet de aantasting van de persvrijheid in Israël worden gezien tegen de bredere achtergrond van de uitholling van de Israëlische democratie. De aantasting van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, de pogingen om de waakhonden te verzwakken en het stelsel van checks-and-balances af te breken, en de weigering om het gelijkheidsbeginsel grondwettelijk te verankeren, zijn geen afzonderlijke of toevallige maatregelen. Ze vloeien allemaal voort uit een ideologie die zich inzet voor de voortzetting van de bezetting en het behoud van de Israëlische controle over de Westelijke Jordaanoever.

Het voortbestaan van de bezetting is echter op lange termijn onverenigbaar met een robuuste liberale democratie, waarvan de instellingen en beginselen grenzen aan die bezetting zouden kunnen stellen, haar aan kritiek zouden kunnen onderwerpen en haar legitimiteit ter discussie zouden kunnen stellen. De aantasting van de persvrijheid maakt dan ook deel uit van een bredere ontwikkeling die erop gericht is het vermogen van de controlemechanismen om de gevolgen van de bezetting aan het licht te brengen en aan het publieke oordeel te onderwerpen, te beperken. De opvatting dat de bezetting kan worden voortgezet en tegelijkertijd de Israëlische democratie kan worden versterkt, miskent de fundamentele tegenstrijdigheid tussen beide doelstellingen: de voortzetting van de bezetting vereist de uitholling van de fundamenten van de democratie; omgekeerd is het beëindigen ervan een voorwaarde om het voortbestaan van Israël als liberale democratie te waarborgen.

Reacties (0)

Joop

Meld je hieronder gratis aan voor Joop NL. Iedere donderdag een selectie opvallende nieuwsverhalen, opinies en cartoons in je mailbox.

Je kunt je op elk moment uitschrijven. Bekijk of beheer hier alle nieuwsbrieven.

Wil je meer weten over de manier waarop wij met jouw gegevens omgaan? Lees dan ons Privacy statement.

BNNVARA wij zijn voor