
De afgelopen dagen werd er veel gezegd over de keuze van Esmah Lahlah om wethouder van Amsterdam te worden. Te veel misschien.
Volgens critici heeft zij de kiezer teleurgesteld. Anderen spreken over opportunisme. Op sociale media ging het nog een stap verder. Daar veranderde een discussie over een politieke keuze al snel in een stroom van verdachtmakingen, persoonlijke aanvallen en, helaas, ook racistische reacties.
Dat zegt vooral iets over de staat van ons publieke debat.
Als oud-journalist en Statenlid heb ik geleerd dat de interessantste vraag vaak niet is wat er gebeurt, maar waarom mensen er zo heftig op reageren. In het geval van Esmah Lahlah viel mij niet zozeer haar keuze op, maar vooral de woede die die keuze opriep. Blijkbaar vinden we het in Nederland nog steeds vanzelfsprekend dat politieke invloed vooral vanuit Den Haag wordt uitgeoefend. Alsof een zetel in de Tweede Kamer het eindstation van een politieke loopbaan is en een overstap naar het lokaal bestuur automatisch een stap terug.
Dat is een merkwaardige gedachte.
Wie ooit heeft rondgelopen in een gemeentehuis weet dat daar de meest tastbare politieke keuzes worden gemaakt. Daar gaat het over woningbouw, bestaanszekerheid, veiligheid, zorg en integratie. Over vraagstukken die inwoners dagelijks raken. De Tweede Kamer maakt wetten, maar gemeenten bepalen vaak of beleid daadwerkelijk voelbaar wordt in het leven van mensen.
Juist daarom verbaast de ophef mij zo.
Nederland heeft de afgelopen jaren een politieke cultuur ontwikkeld waarin vrijwel alles wordt bekeken door de bril van carrière, beeldvorming en macht. Politiek lijkt soms meer op een permanente verkiezingscampagne dan op een zoektocht naar oplossingen. Wie promoveert? Wie degradeert? Wie wint? Wie verliest?
Daardoor raakt de belangrijkste vraag uit beeld: waar kan iemand het meeste betekenen voor de samenleving?
Misschien kwam Esmah Lahlah tot de conclusie dat zij als wethouder meer voor mensen kan betekenen dan als Kamerlid. Misschien zag zij in Amsterdam een kans om direct invloed uit te oefenen op de thema’s waarvoor zij zich al jaren inzet. Dat is geen verraad aan de kiezer, maar een bestuurlijke afweging die in een gezonde democratie volstrekt legitiem zou moeten zijn.
De kritiek wordt nog opmerkelijker als je kijkt naar de manier waarop we omgaan met lokaal bestuur. Politieke partijen zeggen graag dat ze dicht bij de mensen staan, maar behandelen gemeenten vaak als opleidingsinstituten voor Den Haag. Alsof lokaal bestuur slechts een tussenstation is op weg naar het ‘echte werk’. Daarmee doen we duizenden wethouders, burgemeesters, raadsleden en ambtenaren tekort die dagelijks proberen ingewikkelde maatschappelijke problemen op te lossen.
Nog een andere kwestie verdient aandacht.
Rond Esmah Lahlah verschenen de afgelopen jaren met enige regelmaat berichten over vertrouwelijke sollicitatieprocedures voor burgemeestersfuncties. Dat zou ons minstens zo veel zorgen moeten baren als haar overstap naar Amsterdam. Vertrouwelijkheid bij burgemeestersbenoemingen bestaat niet voor niets. Die beschermt kandidaten én het proces. Wanneer namen steeds opnieuw uitlekken, ontstaat de vraag wie daar belang bij heeft. Uiteindelijk wordt het voor goede kandidaten minder aantrekkelijk om zich beschikbaar te stellen voor publieke functies.
Ook dat zegt iets over de politieke cultuur waarin we terecht zijn gekomen.
Maar het meest ongemakkelijke deel van deze discussie blijft de stroom racistische reacties die over Lahlah heen kwam. Blijkbaar zijn er nog steeds mensen die een bestuurder met een migratieachtergrond anders beoordelen dan iemand met een traditionele Nederlandse naam.
En er speelde nog iets anders mee: de inmiddels voorspelbare obsessie van een deel van Nederland met hoofddoekjes.
Opvallend genoeg gaat het bij bestuurders als Esmah Lahlah zelden uitsluitend over hun bestuurlijke kwaliteiten, ervaring of resultaten. De discussie verschuift al snel naar afkomst, identiteit of religieuze uitingen. Alsof een hoofddoek meer zegt over iemands geschiktheid voor een bestuurlijke functie dan jarenlange ervaring in het openbaar bestuur.
Natuurlijk mag er een maatschappelijk debat zijn over religie en de zichtbaarheid daarvan in de publieke ruimte. Dat hoort bij een vrije samenleving. Maar wie de reacties op Lahlah leest, ziet dat het daar vaak allang niet meer over gaat. Het gaat over de vraag wie volgens sommigen wel en niet past binnen hun beeld van Nederland.
Het blijft opmerkelijk dat een hoofddoek in Nederland voor sommigen nog altijd meer politieke aandacht genereert dan armoede, woningnood of bestaanszekerheid. Alsof een stukje stof controversiëler is dan de problemen die bestuurders geacht worden op te lossen.
Daarmee raakt deze discussie aan een ongemakkelijke waarheid. De ophef over Esmah Lahlah gaat allang niet meer over een wethoudersfunctie in Amsterdam. Ze gaat over de manier waarop we naar bestuurders kijken, over de verruwing van het debat en over het hardnekkige wantrouwen tegenover mensen die niet passen in het traditionele plaatje van macht.
Je kunt het oneens zijn met de keuze van Esmah Lahlah. Je mag vragen stellen. Je mag kritiek hebben.
Maar wie de afgelopen dagen goed heeft opgelet, zag dat de discussie allang niet meer ging over een functie in Amsterdam. Ze ging over iets veel groters: de vraag of we nog in staat zijn bestuurders te beoordelen op wat ze doen, in plaats van op wie ze zijn.
De keuze van Esmah Lahlah is uiteindelijk haar eigen verantwoordelijkheid.
De manier waarop Nederland daarop reageerde, is een verantwoordelijkheid van ons allemaal.
Meld je hieronder gratis aan voor Joop NL. Iedere donderdag een selectie opvallende nieuwsverhalen, opinies en cartoons in je mailbox.