
Op 22 februari schreef ecoloog Patrick Jansen een column voor Vroege Vogels, getiteld: “Het ministerie van Defensie, klimaat en natuurherstel”. In de column zoekt Jansen naar een lichtpuntje voor de natuur in de plannen van het nieuwe kabinet. Hij meent dit te vinden bij het extra budget voor defensie. Defensie-oefenterreinen hebben namelijk grote natuurwaarde, en herstelde veengebieden zouden tegelijk als nieuwe waterlinie kunnen werken, én een grote hoeveelheid CO2 uit de lucht kunnen halen. Daardoor zou het volgens Jansen zelfs zo kunnen worden dat de minister van Defensie straks meer voor de natuur en klimaat doet dan de ministers van Natuur en Klimaat. Dat is nogal wat, en helaas is de werkelijkheid minder positief. Hoewel de door Jansen genoemde voordelen in principe kloppen, zijn er cruciale punten waar zijn column volledig aan voorbij gaat.
Laten we meteen met de deur in huis vallen. Volgens wetenschappelijk onderzoek was de militaire sector in 2019 verantwoordelijk voor 5,5% van de wereldwijde uitstoot. Ter vergelijking, als je de luchtvaart (1,9%) samenneemt met de scheepvaart (1,65%), twee sectoren die vaak als grote vervuilers worden genoemd, dan kom je net niet op tweederde van de militaire uitstoot. En als je de militaire sector tussen de landen zet, dan komt die dat jaar op plaats vier, tussen India (6,8%) en Indonesië (3,9%); dit is zeker niet niks. Hoewel ik absoluut voorstander ben van veenherstel, is dit een hoeveelheid uitstoot die je niet zomaar kan wegcompenseren. Ook is het grootste deel van de militaire uitstoot afkomstig van oorlogsmachines die nog geen duidelijk non-fossiel alternatief hebben, zoals marineschepen en gevechtsvliegtuigen. Overgaan op biobrandstoffen is hierbij ook geen optie, omdat die elders in de natuur tot problemen leiden. De Britse Royal Air Force experimenteert bijvoorbeeld voor ‘duurzaamheid’ met ‘Hydrotreated Vegetable Oil’, die voor een overgroot deel van palmolie wordt gemaakt, waardoor het sterk bijdraagt aan kap van het tropisch regenwoud, en dus toch niet zo duurzaam blijkt als wordt gesuggereerd. Kortweg, onze aarde kan niet genoeg brandstof leveren om de krijgsmachten zoals ze nu bestaan ‘duurzaam’ te laten draaien, los van of we dat moeten willen.
Bovendien laat de inschatting van militaire uitstoot verschillende aspecten buiten beeld, zoals bijvoorbeeld uitstoot die vrijkomt bij schade aan olieopslag tijdens oorlogsvoering, of de milieukundige kosten van wederopbouw na een conflict. Wederopbouw heeft namelijk ook impact, en zou niet nodig zijn als de boel niet aan stukken geknald was. Ook vond deze schatting nog plaats voordat Europa besloot enorm op militarisering in te zetten. De kern van het probleem zit hier deels in het feit dat de militaire sector al sinds het eerste klimaatverdrag uit 1997 een uitzonderingspositie heeft, en geen uitstoot hoeft te rapporteren. De meeste landen, waaronder Nederland, doen dit dus niet, wat het probleem uit beeld houdt, het controleren van militaire uitstoot enorm bemoeilijkt, en het aan banden leggen ervan enorm verhindert.
Daarnaast gaat militaire activiteit historisch gepaard met milieuvervuiling. Van de jungles in Vietnam die nog steeds vervuild zijn met Agent Orange (een militair toegepaste onkruidverdelger die ook funest is voor de gezondheid) en de Franse Zone Rouge die door Eerste Wereldoorlogse bombardementen tot op de dag van vandaag nog onbruikbaar is, tot de akkers van Gaza, waarvan dankzij gerichte aanvallen nog minder dan 5% geschikt is voor landbouw. Maar onze eigen Defensie is ook zeker niet te beroerd om buiten oorlogstijd wat natuurschade aan te richten in eigen land. Twee recente voorbeelden zijn PFAS-vervuiling die Defensie in de Jelsumer Feart bij Leeuwarden heeft aangericht, en waar het overigens vanwege immuniteit niet strafrechtelijk voor kan worden vervolgd, en de natuurbrand die Defensie vorig jaar bij Ede met een oefengranaat veroorzaakte, die lang niet de eerste was.
Dit wordt nogmaals bevestigd door een aanstaande wet, de Wet op de Defensiegereedheid. Deze wet, die momenteel bij de Raad van State ligt, doet afbraak aan allerlei rechten van burgers, Defensiepersoneel, en ja, ook aan de natuur. Wat betreft natuur krijgt Defensie onder de wet een uitzonderingspositie in o.a. de omgevingswet en EU-richtlijnen voor soortenbescherming, waarbij ze in bepaalde gebieden niet meer aan de normale milieukundige wetgeving en vergunningen hoeven te voldoen. Voor een deel van die gebieden gaat het om situaties waarin Defensie al langer buiten wettelijk toegestane limieten trad, en nu uit ellende maar besloten lijkt om die wetgeving dan maar volledig te omzeilen. Ook krijgt de regering de autonomie om zelf nieuwe gebieden aan deze lijst van uitzonderingsgebieden toe te voegen, wordt inspraak moeilijker, en bevat het een artikel dat het nog moeilijker gaat maken om de broeikasgas uitstoot van de krijgsmachten openbaar te krijgen. (Zie de Wodg-analyse van Stop Wapenhandel.)
Waar het uiteindelijk op neer komt is dit: de staat van zowel natuur als klimaat is slecht. Als je naar de impact van de militaire sector op het milieu kijkt, dan is die hoofdzakelijk negatief, en knokt deze sector keihard om enige vorm van verantwoording tegen te gaan, of zelfs terug te draaien – tot zover met succes. De visie van de militaire sector, inclusief Defensie, is er duidelijk een waarin de hele wereld voor hun wil moet wijken. Ook als we nu al weten dat de milieuschade die ze veroorzaken de wereld voor iedereen onveiliger gaat maken, en dat de toenemende bewapening voor spanningen zorgt die internationale samenwerking in de weg (gaan) zitten. Terwijl internationale samenwerking voor milieuproblemen, die vaak grensoverschrijdend zijn, juist zo cruciaal is. Laten we daar als milieuwetenschappers geen doekjes om winden, maar in ieder geval helder over zijn en voor de desastreuse gevolgen waarschuwen.
Meld je hieronder gratis aan voor Joop NL. Iedere donderdag een selectie opvallende nieuwsverhalen, opinies en cartoons in je mailbox.