
‘Ik vind dat we in Nederland onvoorstelbaar naïef zijn’, zei hoogleraar Marcel Olde Rikkert in de Volkskrant afgelopen zaterdag, over de invloed van de drankindustrie op onderzoekers. Het artikel beschrijft hoe de industrie op subtiele wijze probeert het onderzoek, de conclusies en uitlatingen van onderzoekers te beïnvloeden. Ik kan me voorstellen dat de meeste onderzoekers (ook in andere onderzoeksgebieden) denken: dat zou mij niet gebeuren. Olde Rikkert geeft ook aan dat wetenschappers na een subsidie van de industrie vaak denken: ‘Ik blijf onafhankelijk, ik kan zaken prima van elkaar scheiden’. Ten onrechte, zegt hij en dat wil ik graag onderschrijven. Het is een mooi voorbeeld van hoezeer mensen zichzelf overschatten.
Juist daarom wil ik dit nog even benadrukken: het is zo belangrijk te beseffen dat we geen van allen verheven zijn boven de menselijke gebreken die we bij ánderen direct herkennen, maar niet bij onszelf. Als het gaat om kennis over lichamelijke reacties, dan geloven de meeste mensen direct dat het ook op henzelf van toepassing is; dat hun lichaam net zo functioneert als dat van anderen, ook al zien ze echt niet alles wat daarbinnen gebeurt. Precies hetzelfde geldt voor de psychologische processen. Maar dán opeens denken mensen dat ze dat zelf toch zeker wel zouden merken.
Cadeautjes van de farmaceutische industrie
Zelfs wanneer we terdege beseffen dat je door bepaalde belangen of gekleurde informatie vooringenomen kunt zijn, dan nog hebben we het idee dat wij zélf ons oordeel toch zuiver kunnen houden. In een experiment moesten deelnemers de artistieke waarde van schilderijen beoordelen. De helft van de deelnemers kreeg vooraf opdracht om eerst de naam van de schilder op te vragen. Wanneer ze dat deden, zagen sommigen een grote naam (bijv. Picasso) en anderen juist een onbekende schilder. In werkelijkheid beoordeelden ze allemaal dezelfde schilderijen.
Zoals te verwachten viel, werd de artistieke waarde bij een zogenaamde Picasso hoger aangeslagen dan bij een onbekende schilder. Desgevraagd bleken de deelnemers zelf ook van mening dat het vooraf opvragen van de naam van de schilder onwenselijk was, omdat het leidt tot subjectieve beoordelingen. Maar evengoed vonden ze hun éígen oordeel toch objectief, ook als ze vooraf de naam van de schilder wisten. Ze achtten zichzelf klaarblijkelijk wel in staat hun voorkennis opzij te zetten – net als al die mensen die ‘zich niet laten beïnvloeden door reclame’. Zelfs als mensen weten dat ze door een gekleurde bril kijken, én erkennen dat die bril een vertekend beeld geeft, dan nog zijn ze ervan overtuigd dat dit voor hen zelf niet geldt.
Dat blijkt ook bij artsen en specialisten die oprecht menen dat cadeautjes van de farmaceutische industrie geen invloed hebben op wat ze voorschrijven. In een onderzoek onder artsen en specialisten in opleiding zei 61 % dat ze hierdoor niet beïnvloed zouden worden: ze zouden niet meer geneesmiddelen van dat bedrijf gaan voorschrijven. Slechts 16 % dacht dat ook hun collega’s er niet door beïnvloed zou worden. Ze beseffen dus wel dat die invloed er kan zijn, maar de meesten denken dat zijzelf daar niet gevoelig voor zijn – en anderen wel. Die inschatting van anderen lijkt beter te kloppen, want feitelijk is de keuze voor geneesmiddelen die artsen voorschrijven wel degelijk gerelateerd aan bezoekjes van vertegenwoordigers van de industrie en deelname aan cursussen, symposia en congressen die door deze industrie wordt gesponsord.
Op het niveau van beroepsgroep lijkt een soortgelijk verschil op te treden. Artsen in een onderzoek waren kritisch over strengere regels voor hun contacten met de farmaceutische industrie. In een ander beroepsgroep, financieel adviseurs, vond men dat vaker een goed idee, maar ging het om strengere regels voor hún contacten met investeringsmaatschappijen, dan waren zij daarover juist weer kritischer dan artsen. Kennelijk vond men dat de eigen beroepsgroep minder vatbaar was voor beïnvloeding.
Zelfoverschatting maakt extra vatbaar voor beïnvloeding
Ook politici die met commissariaten of andere connecties de ‘schijn van belangenverstrengeling’ op zich laden, hebben zelf alle vertrouwen in hun onpartijdigheid. Worden ze erop aangesproken, dan 'herkennen ze zichzelf daar niet in'. In feite zeggen ze daarmee dat zij geen last hebben van precies dezelfde vertekeningen als andere mensen. We zien de selectieve, gekleurde bril bij anderen, maar niet bij onszelf. Je ziet niet de bril waar je zelf doorheen kijkt.
Hoe dat mogelijk is, dat heeft te maken met het vertrouwen op introspectie: de illusie dat je sporen van vertekening in je beoordelingen en beslissingen zelf zou kunnen waarnemen. Dat klopt niet. Ik heb daar uitgebreid over geschreven in “Mijn ego heeft altijd gelijk.” Belangrijk voor nu is dat deze zelfoverschatting het heel makkelijk maakt voor fabrikanten (van alcoholhoudende drank, sigaretten, suiker, pesticiden enzovoort enzovoort) om mensen te beïnvloeden waar ze bij staan. Ook wetenschappers die goed thuis zijn in een onderzoeksgebied.
Zoals een van de andere onderzoekers in het Volkskrant-artikel zegt: ‘Deze mensen [onderzoekers die subsidie hebben gehad van de industrie] geloven oprecht dat ze bezig zijn met nuttig werk.’ Vaak worden ze er ook niet op aangesproken door collega’s; en als dat wel gebeurt, zijn ze geneigd die invloed te ontkennen, vertelt Martijn Katan verderop: ‘Je denkt toch niet dat ik vanwege dat geld iets ga zeggen dat niet waar is? Hoe durf je mij hiervan te beschuldigen?’
Ik denk dat mensen daar zelf ook echt van overtuigd zijn. Dat is nou net het probleem. Door te ontkennen dat je net als ieder mens ten prooi bent aan beïnvloeding, ben je er juist extra vatbaar voor. En staat je deur wijd open voor schadelijke industrieën.
Bronnen
Een deel van dit stuk is ontleend aan hoofdstuk 1 van mijn boek "Mijn ego heeft altijd gelijk".
Dana, J., & Loewenstein, G. (2003). A social science perspective on gifts to physicians from industry. Jama, 290(2), 252-255.
Hansen, K., Gerbasi, M., Todorov, A., Kruse, E., & Pronin, E. (2014). People claim objectivity after knowingly using biased strategies. Personality and Social Psychology Bulletin, 40(6), 691-699.
Sharek, Z., Schoen, R. E., & Loewenstein, G. (2012). Bias in the evaluation of conflict of interest policies. The Journal of Law, Medicine & Ethics, 40, 368-382.
Steinman, M. A., Shlipak, M. G., & McPhee, S. J. (2001). Of principles and pens: attitudes and practices of medicine housestaff toward pharmaceutical industry promotions. The American journal of medicine, 110(7), 551-557.
Wazana, A. (2000). Physicians and the pharmaceutical industry: Is a gift ever just a gift?JAMA 283, 373–380.
Meld je hieronder gratis aan voor Joop NL. Iedere donderdag een selectie opvallende nieuwsverhalen, opinies en cartoons in je mailbox.