* BNNVARA - Old boys' doofpot | De Ondergang van de van Imhoff
Word lid

Old boys' doofpot | De Ondergang van de van Imhoff

leestijd 7 minuten
Old boys' doofpot | De Ondergang van de van Imhoff

De scheepsramp met de Van Imhoff werd in de jaren 60 al gereconstrueerd door Dick Verkijk. Waarom verbood de VARA zijn tv-reportage? ‘Ze dachten: hoor eens even, je kunt niet zomaar Nederlanders van oorlogsmisdaden beschuldigen!’

Midden in de Tweede Wereldoorlog, op 18 januari 1942, verliet een schip de haven van Sibolga in Nederlands-Indië. Het Japanse leger was in aantocht en het bestuur van de toenmalige Nederlandse kolonie had een bijzondere vracht te verplaatsen. Aan boord van het schip bevonden zich 478 Duitse gevangenen. Het waren gewone burgers die desondanks, na de inval van nazi-Duitsland in Nederland twee jaar eerder, als potentiële spionnen in kampen waren geplaatst. Met de Japanners in aantocht moesten ze worden verhuisd, en wel naar Brits India. Die opdracht had de koloniale regering in Batavia aan Herman Hoeksema gegeven, kapitein van de Van Imhoff, een koopvaardijschip van de Koninklijke Paketvaart Maatschappij (KPM). Het gevolg was een ongekend drama. 

Na een aanval door een Japanse bommenwerper op de volgende ochtend scheurde de scheepswand open. De kapitein, de 48 bemanningsleden en de 62 mannen van de militaire bewakingseenheid verlieten de Van Imhoff, waarbij ze alle reddingsboten meenamen – op één na, die ze niet los konden krijgen. De Duitse gevangenen kregen te horen dat ze zouden worden beschoten als ze zouden proberen om de Nederlandse boten te bereiken. Velen van hen lukte het om de zinkende Van Imhoff te verlaten en zich vast te klampen aan een van de ronddrijvende vlotten die waren achtergebleven. Ze brachten een dag en een nacht door op zee. Toen zagen ze de Boelongan naderen, een ander KPM-schip. De touwladder werd al uitgegooid, maar eerst kwam de vraag wat de drenkelingen waren: Hollanders of Duitsers? Na horen van het antwoord beval de kapitein, Marius Berveling, om de ladder weer te hijsen. 67 Gevangenen wisten uiteindelijk op eigen kracht het eiland Nias te bereiken. Bij de ramp met de Van Imhoff kwamen 411 van de 478 Duitse opvarenden om het leven. 

Twintig jaar later maakte Dick Verkijk zijn eerste televisiereportages voor Achter het nieuws. De actualiteitenrubriek van de VARA liet hem – als eerste Nederlandse journalist voor tv – berichten vanuit communistisch Oost-Europa. Eindredacteur Herman Wigbold was erg te spreken over Verkijks werk en wilde hem aannemen. Dat bleek echter een probleem. Verkijk was een verklaard voorstander van een niet-verzuilde, nationale omroep, wat maakte dat de directie van de toen nog socialistische VARA hem met scheve ogen bekeek. ‘Ze wilden hun eigen cluppie houden,’ zegt Verkijk (88), vanuit zijn huidige woonplaats Sandy in de Amerikaanse staat Utah. ‘Jaap Burger, voorzitter van de VARA en PvdA-senator, had een ontzettende hekel aan mij. Hij noemde me “de sektariër van Haarlem vijf”, omdat ik als afgevaardigde van de vijfde PvdA-afdeling van die stad pleitte voor een nationale omroep.’ Een vast contract kreeg Verkijk dan ook niet. Wel mocht hij als freelancer aan de slag. 

Het was op een dag in 1964 dat Wigbold een Duits boulevardblad op Verkijks bureau gooide. ‘Dit gaat over de ondergang van een Nederlands schip,’ zei hij. ‘Zoek het eens uit.’ Verkijk verwachtte er niet veel van – die Duitsers wilden vast hun eigen oorlogsmisdaden verheimelijken. Bij het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) trof hij één boekje aan over de ramp met de Van Imhoff. Het was geschreven door een Duitse overlevende, en Verkijk zocht hem op. Deze Gottlob Weiler bleek een dominee te zijn, en had bovendien een geloofwaardig relaas te vertellen. Verkijk vond een andere Duitse overlevende, de derde stuurman van de Boelongan, een van de bewakers op de Van Imhoff en verschillende andere betrokkenen en verzamelde ondersteunend bewijsmateriaal. 

Overigens: niet iedereen wilde meewerken. Kapitein Hoeksema weigerde commentaar. Kapitein Berveling ontkende gezagvoerder te zijn geweest van de Boelongan. KPM kon Verkijk niet verder helpen, net als de Nederlandse marine, en ook bij verschillende ministeries ving hij bot. Toch beschikte Verkijk na een aantal maanden over een geloofwaardig en samenhangend verhaal over een onbekend, Nederlands oorlogsdrama. Niks geen Duitse kletspraat, zoals hij aanvankelijk had gedacht. Verkijk: ‘Dan kun je twee dingen doen: óf je gaat er niet mee door, óf je komt tevoorschijn met de waarheid.’ Hij voltooide de tv-reportage, zo’n 25 minuten lang.

Het was eindredacteur Wigbold die hem het slechte nieuws bracht. Verkijks reportage mocht niet worden uitgezonden, vond Wim Rengelink, hoofd televisie van de VARA. Verkijk: ‘Rengelink had een discussie aangehaald die op dat moment in Duitsland werd gevoerd, over het al dan niet laten verjaren van oorlogsmisdaden, bijvoorbeeld van betrokkenen bij het concentratiekamp van Auschwitz. Als de VARA mijn reportage zou uitzenden, bestond de kans dat die discussie de verkeerde kant opging, vond hij. En dat ze die misdaden lieten verjaren. Een nonsensredenering.’ 

Verkijk vermoedde dat er meer speelde. ‘Het was 1965, relatief kort na de Tweede Wereldoorlog. Bij de VARA zaten veel mensen die in de illegaliteit hadden gezeten. Die dachten: hoor eens even, je kunt niet zomaar Nederlanders van oorlogsmisdaden beschuldigen! En dat terwijl ik in de reportage alleen maar bevestigde feiten voor het voetlicht bracht.’ En, wat de VARA-directie betrof: ‘Ze waren feller op mij. Later heeft Rengelink er eens over geschreven: bij zijn verbod had het feit een rol gespeeld dat ik voor een nationale omroep was.’

Wat nu? De redactie van Achter het nieuws verklaarde zich solidair: zo’n verbod was absurd. Nog steeds kan Verkijk er geen enkel begrip voor opbrengen. ‘Absoluut niet. Het was feitenmateriaal, en als daaruit zou blijken of er sprake was van oorlogsmisdaden, dan is dat aan de kijker, of aan weet ik wie, om dat te beoordelen.’ Zelf heeft hij er wel een mening over. ‘Ik vind dat wat Hoeksema deed op de rand van een oorlogsmisdaad. Aan de andere kant: hij heeft duidelijk in paniek gehandeld. Hij heeft het achteraf verschrikkelijk gevonden, want met zijn familie heeft hij er nooit over gesproken. Maar de Boelongan heeft die Duitsers echt laten verzuipen. Al waren het nazi’s: dat kan niet door de beugel.’

Verkijk overlegde met Wigbold: hij wilde er toch mee naar buiten komen. ‘Wigbold vertelde me: “Dat moet je absoluut doen.”’ Daarop benaderde Verkijk Het Parool – niet toevallig een voormalige verzetskrant. Die wilde wel ruimte vrijmaken. Verkijk plunderde de uitgeschreven tekst van zijn reportage en op vrijdag 16 april 1965 verscheen een paginagroot artikel met de kop ‘Reconstructie scheepsramp’ in de krant. In een apart kader stond de connectie met Achter het nieuws beschreven. Rengelink was ‘pisnijdig’, aldus Verkijk. En dat had gevolgen. ‘In de laatste week van april zat ik voor Achter het nieuws in Joegoslavië, toen Wigbold belde. “Joh,” zei hij, “je mag niet meer voor de VARA werken.”’

Na Het Parool gingen ook andere dagbladen over de ramp met de Van Imhoff schrijven. In Duitsland besteedde Der Spiegel er tweemaal uitgebreid aandacht aan. Daarbij werd niet nagelaten te wijzen op de kennelijke onwil van de regering in Den Haag om de kwestie uit te pluizen. Verkijk: ‘Wat is een doofpot? Als de overheid geen actie onderneemt. Wel, Den Haag heeft in 1956 onderzoek gedaan naar kapitein Hoeksema en geconcludeerd: hij is niet schuldig.’ Dit onderzoek was echter minimaal: alleen de twee kapiteins en een lokaal koloniaal bestuurder werden gehoord, geen Nederlands bemanningslid en geen Duitse overlevende. Bovendien loog Hoeksema onder ede dat hij er alles aan had gedaan om de Duitsers te redden. 

Begin 1966 drong de Pacifistisch Socialistische Partij (PSP) aan op meer informatie omtrent de scheepsramp. Piet de Jong, minister van Defensie in het kabinet-Cals, antwoordde dat na het onderzoek uit 1956 aan de Duitse regering in Bonn was medegedeeld dat niet tot strafvervolging zou worden overgegaan en dat daar ook nu geen aanleiding voor bestond. Daarmee eindigde het debat. Herman Wigbold had in het kader van deze nasleep Verkijks reportage tot elf minuten ingekort, maar ook die versie werd verboden, door VARA-voorzitter Burger persoonlijk. Daarna raakte het filmmateriaal zoek. Slordigheid, denkt Verkijk. ‘Ik geloof niet in samenzweringen.’

Ondertussen veranderde de houding van het Nederlandse publiek ten opzichte van het oorlogsverleden. In 1969 bracht Achter het nieuws het nu befaamde interview met psycholoog en Indië-ganger Joop Hueting, die vrijuit sprak over de misdaden die Nederlandse militairen hadden begaan in de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog. Het kabinet van Piet de Jong stemde in met een groot onderzoek. Toen wel.

Gedurende de afgelopen anderhalf jaar heeft Verkijk zich opnieuw verdiept in zijn speurtocht. Filmmakers Kees Schaap en Foeke de Koe benaderden hem voor de driedelige documentaireserie De ondergang van de Van Imhoff, voor de nieuwe fusieomroep BNNVARA. Dat leverde nieuwe feiten op. Zo weet Verkijk nu dat er wel degelijk een samenzwering bestond om zijn bevindingen in de schaduw te houden. Scheepvaartmaatschappij KPM had zijn kapiteins gemaand om geen commentaar te geven, staatssecretaris Adri van Es van Defensie had beloofd druk uit te oefenen op de VARA, het NIOD had veel meer materiaal over de ramp bezeten dan alleen dat ene boekje. Een old boys network, waarvan vele leden elkaar nog kenden uit de oorlog, toonde zijn kracht. ‘Achter de schermen hebben ze alles in het werk gesteld om te voorkomen dat er iets naar buiten zou komen.’ 

Prettig dus, vindt Verkijk, dat anno 2017 aan de ramp met de Van Imhoff uitgebreid aandacht wordt besteed. Voelt hij zich ook gerehabiliteerd? ‘Gerehabiliteerd? Ik heb niks fout gedaan. Het is de VARA die nu wordt gerehabiliteerd. Omdat ze het uitzenden.’       

 

Door: Roger Abrahams, VARA-gids